Nederlandse Spaniel Club

Nederlandse Spaniel Club

Agenda

Augustus 2014
Z M D W D V Z
27 28 29 30 31 1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30
31 1 2 3 4 5 6

Foto's

Eerstkomende activiteiten

zo sept 07 @13:30 -
Wandeling Regio Zuid West
Hartproblemen

Hartproblemen

Dilatorische cardiomyopathie

Cardiomyopathie is een hartspierziekte die gepaard gaat met een slechte hartwerking. Dilatorische cardiomyopathie (DCM) wordt gekarakteriseerd door een slechte ventrikel pompfunctie en een geleidelijke uitzetting van één of beide ventrikels (meestal het linker ventrikel). 
DCM is één van de meest voorkomende hartaandoeningen, en wordt voornamelijk gezien bij raszuivere honden. Grote rassen en reuzerassen zijn het vaakst aangetast. Rassen waarbij deze aandoening vaker gezien wordt, zijn: Boxer, Cocker Spaniël, Deerhound, Dobermann, Duitse Dog, Duitse Herder, Ierse Wolfshond, Sint Bernard en Newfoundland. De presentatie en het verloop van de aandoening kunnen verschillen naargelang het ras. De laatste jaren lijkt het voorkomen van DCM toegenomen. Dit is waarschijnlijk te wijten aan een toename in de populatie van de risicorassen en aan een toegenomen alertheid van de dierenarts voor deze aandoening. Sinds de introductie van de echografie in de diergeneeskunde, is het stellen van de diagnose van myocardaandoeningen eenvoudiger en preciezer, en kan dit op een niet-invasieve manier gebeuren. 
DCM kan voorkomen bij honden van elke leeftijd. Echter, de meeste gevallen komen voor tussen de leeftijd van 4 tot 10 jaar. Reuen zijn opvallend vaker aangetast zijn dan teven. 
Gezien de raspredispositie in bepaalde rassen, is DCM naar alle waarschijnlijkheid een genetisch gebonden en erfelijke aandoening. 
Bij mensen komt DCM eveneens voor, 20 tot 30% van de DCM gevallen zijn familiaal. Onderzoek bij deze mensen toont aan dat het hier eveneens om een autosomaal dominante overerving gaat.

Pathofysiologie: 
De opvallendste afwijking ter hoogte van hart is een matige tot erge dilatatie (= uitzetting) van het hart (voornamelijk het linker atrium en ventrikel), met een bleke slappe hartspier. De verhouding wanddikte/ventrikel diameter daalt meestal.

hart1.jpg
Normaal hart
hart2.jpg
Gedilateerd hart bij DCM

Door de dilatatie van het ventrikel wordt de ophanging van de mitralisklep (en eventueel ook tricuspidalisklep) uitgetrokken, waardoor deze klep slecht sluit. Hierdoor ontstaat dan een dilatatie van het atrium.

hart3.jpg
Slechte sluiting van de kleppen bij DCM

Het myocard zelf ondergaat ook veranderingen. Spiercellen worden vervangen door inactief bindweefsel en/of vetweefsel, waardoor het myocard zijn contractiekracht nog meer verliest. 
Het hoofdprobleem bij DCM is een verminderde pompfunctie door vermindering van de contractiekracht van de hartspier. Hierdoor daalt het volume bloed dat per slag wordt rondgestuurd, waardoor meer bloed in het hart achterblijft. Om dit op te vangen zal het hart uitzetten, de hartspier verdikken en wordt de hartfrequentie opgedreven. Deze compensatiemechanismen kunnen echter niet onbeperkt doorgaan, waardoor op een bepaald moment decompensatie optreedt. Vaak wordt voornamelijk de linker harthelft aangetast. Hierdoor ontstaat stuwing ter hoogte van de longen, waardoor longoedeem (= vocht in de longen) ontstaat. Wanneer ook de rechter harthelft slecht functioneert (wat op lange termijn het gevolg is), ontstaat ook stuwing ter hoogte van de grote circulatie en kan vochtopstapeling in de buikholte en ter hoogte van de poten optreden, alsook opzetting van lever en milt. Ook zwakte, inspanningsintolerantie en zelfs shock kunnen optreden.

Klinische symptomen: 
Teven zijn doorgaans ouder dan reuen op het moment dat ze symptomen beginnen te vertonen. Hoe ouder de dieren zijn wanneer voor het eerst echocardiografische tekenen vastgesteld worden, hoe trager de evolutie meestal verloopt. Vaak worden de symptomen pas vastgesteld wanneer het myocard al ernstig aangetast is. Wanneer voornamelijk de linker harthelft is aangetast, zullen voornamelijk tekenen van stuwing ter hoogte van de longen voorkomen, zoals hoesten (meestal vrij zacht), moeilijk ademen, versnelde ademhaling, snelle vermoeidheid bij inspanning, en soms ophoesten van bloederig vocht (bij zeer erg longoedeem). Flauwtes kunnen voorkomen. Slechte eetlust en vermageren worden ook vaak gezien. Soms treedt plotse sterfte op, zonder voorafgaande symptomen, of in het verloop van de aandoening.

Diagnose: 
In een vroeg stadium zijn vaak geen afwijkingen te vinden bij algemeen onderzoek. Soms kunnen hartritmestoornissen opgespoord worden. Bij honden die aangeboden worden met ernstige hartinsufficiëntie kunnen bepaalde tekenen teruggevonden worden. Wanneer voornamelijk de linker harthelft is aangetast, komt hoesten vaak voor, in combinatie met een versnelde en/of moeilijke ademhaling. Bij auscultatie van de longen hoort men eventueel reutels of knisperen ten gevolge van longoedeem. Wanneer ook de rechter harthelft is aangetast kan vochtopstapeling in de buikholte voorkomen, opzetting van de lever of milt door stuwing, en soms vochtopstapeling ter hoogte van de poten. Bij auscultatie van het hart kan eventueel een zacht bijgeruis gehoord worden ter hoogte van de mitralis- of tricuspidalisklep, ook een onregelmatig hartritme kan opgespoord worden. Bij het voelen van de pols kan deze onregelmatigheid eveneens teruggevonden worden, soms gepaard gaande met het wegvallen van sommige polsslagen ten opzichte van de hartslag. Vaak is de pols zwak geslagen en snel. Bij langdurige problemen zijn de honden vaak vermagerd en is er verlies van spiermassa. Via elektrocardiografie kunnen eventuele ritmestoornissen opgespoord worden. Radiografie kan een vergroot hart tonen, maar dit is niet bij alle rassen duidelijk. Door middel van echocardiografie kunnen de afmetingen van de verschillende hartkamers opgemeten worden, en kan de hartspierfunctie geëvalueerd worden. 
Tot op heden is de beste methode voor het opsporen van DCM het standaard hartonderzoek met ECG en echo. 
www.dierenklinieklemmer.nl/page9/page68/hartproblemen.html 
www.veterinairespecialisten.nl

Advies voor het onderzoek voor de fok zou als volgt kunnen luiden (#):

  • Alle dieren die gebruikt worden voor de fok zouden best jaarlijks onderzocht worden, niet enkel tijdens hun actieve fokperiode, maar ook later, om ook later optredende DCM op te sporen. Bewezen "gezonde" ouders en grootouders (> 8 jaar oud) leveren de meest waardevolle informatie op wat betreft de kans op het ontwikkelen van DCM bij een individu dat nu gebruikt wordt voor de fok.
  • Hartonderzoeken moeten volgens een gestandaardiseerde methode gebeuren, en de resultaten moeten centraal geregistreerd worden en beschikbaar voor publicatie.